onderzoek
Jongeren en pornografie: wat de cijfers zeggen, en wat ze niet zeggen
De Nederlandse getallen op een rij, met de meetfouten erbij, en de vraag die onderzoek tot nu toe niet kan beantwoorden.
Over dit onderwerp circuleren veel getallen en weinig bronnen. Dat is schadelijk in twee richtingen. Een te hoog cijfer laat ouders moedeloos achter en maakt het gesprek met een kind oneerlijk. Een te laag cijfer wekt een gerustheid die niet verdiend is. Hieronder staat wat er feitelijk gemeten is, met de beperkingen erbij.
De Nederlandse cijfers
Het grootste Nederlandse onderzoek is “Seks onder je 25e”, uitgevoerd door Rutgers en Soa Aids Nederland. In de meting van 2023 gaf van de jongens van 13 tot en met 15 jaar 65 procent aan in het voorgaande halfjaar minstens één keer porno te hebben gekeken; bij de meisjes van die leeftijd was dat 22 procent. In de leeftijd van 16 tot 18 jaar lag dat op 85 procent en 48 procent. Over de hele groep van 13 tot 25 jaar ging het om 86 procent van de jongens en 55 procent van de meisjes (Rutgers en Soa Aids Nederland, 2023).
Frequentie zegt meer dan de ja-nee-vraag. Dagelijks keek 8 procent van de jongens en 1 procent van de meisjes. In het halfjaar voor de meting keek 14 procent van de jongens en 45 procent van de meisjes helemaal niet.
Over de tijd verandert vooral het beeld bij meisjes. In 2012 en 2017 lag hun percentage op 38; in 2023 op 55. Bij jongens ging het van 82 via 83 naar 86 procent. Of meisjes meer kijken of er eerlijker over antwoorden, is uit deze cijfers niet af te leiden.
Wat geloof uitmaakt, en wat niet
Voor lezers van deze pagina is één uitsplitsing bijzonder relevant. Onder jongeren die hun geloof heel belangrijk noemen, keek 65 procent van de jongens en 32 procent van de meisjes in het voorgaande halfjaar porno. Onder jongeren die niet gelovig zijn of hun geloof niet belangrijk vinden, was dat 95 en 73 procent.
Dat verschil is groot en het is echt. Het is tegelijk geen vrijbrief. Twee op de drie jongens in de meest gelovige groep antwoordden bevestigend. Wie uit het verschil afleidt dat dit in zijn gemeente of op zijn school niet speelt, leest de tabel verkeerd. Bovendien kan juist in deze groep sociale wenselijkheid het cijfer drukken, zodat de werkelijkheid eerder hoger dan lager ligt.
Hoe betrouwbaar zijn deze getallen
Minder dan hun precisie suggereert. Het gaat om een online vragenlijst die jongeren zelf invullen, met een respons van 27,8 procent. De onderzoekers wijzen zelf op de mogelijkheid dat wie meedeed niet representatief is. Het venster is zes maanden, de vraag luidt simpelweg of er gekeken is, en wat een jongere onder “porno” verstaat, staat niet vast.
Dat laatste is geen muggenzifterij. Een overzicht van twintig jaar onderzoek door twee Amsterdamse wetenschappers liet zien hoe ver de uitkomsten uiteenlopen zodra de vraagstelling verandert: van 7 procent tot 59 procent voor bewust gebruik, afhankelijk van land, leeftijd, tijdvak en definitie. Hun conclusie is dat exacte totaalcijfers uit deze literatuur eigenlijk niet te destilleren zijn (Peter en Valkenburg, Journal of Sex Research 2016).
Over de leeftijd van de eerste keer bestaat geen goed Nederlands bevolkingscijfer. Het meest recente onderzoek vroeg het aan 601 mannen van 18 tot 25 jaar die recent porno keken, en kwam uit op gemiddeld 13,6 jaar, waarbij 56 procent de eerste keer bewust zocht en 43 procent er per ongeluk op stuitte (Offlimits, 2026). Die groep is geselecteerd en niet representatief, en het betreft een herinnering achteraf.
Wat onderzoek niet kan zeggen
Hier moet de wetenschap passen. Over de gevolgen voor jongeren bestaan sterke vermoedens en zwak bewijs. Het genoemde overzicht van twintig jaar onderzoek stelt onomwonden dat de literatuur geldige causale conclusies over effecten op adolescenten niet toelaat. Meta-analyses spreken elkaar bovendien tegen: de ene vindt geen aanwijzing dat niet-gewelddadige porno samenhangt met seksuele agressie (Ferguson en Hartley 2022), de andere vindt bij kinderen en jongeren wel een samenhang met problematisch seksueel gedrag (Mori en anderen 2023). Ze meten verschillende dingen, en dat verklaart een deel van het verschil.
Dat betekent niet dat er niets aan de hand is. Het betekent dat wie zich beroept op wetenschap, zich niet kan beroepen op meer dan dit. De ernst van de zaak rust voor christelijke ouders ook op andere gronden dan onderzoek, en die gronden hebben geen bevestiging uit effectstudies nodig.
Wat jongeren zelf aangeven
Eén uitkomst verdient aandacht omdat zij zelden geciteerd wordt. Van de jongeren die weleens porno kijken, zegt 96 procent dat echte intimiteit soms of altijd heel anders is dan wat zij zien. Dat porno hen onzeker maakt, geeft 41 procent van de meisjes en 29 procent van de jongens aan.
Dat is geen meting van schade, maar het is wel een opening. Een jongere die zelf al voelt dat het beeld niet klopt, is geen tegenstander in dit gesprek.
Wat hieruit volgt
De cijfers rechtvaardigen geen paniek en geen stilzwijgen. Ze rechtvaardigen wel de nuchtere aanname dat uw kind er vroeg of laat mee te maken krijgt, bewust of per ongeluk, en dat het dan uitmaakt of er thuis ooit eerder over gesproken is.
Techniek kan daarbij helpen door de kans op ongewild tegenkomen te verkleinen; dat is geen kleinigheid, want een flink deel van de eerste keren was niet gezocht. Maar techniek maakt het gesprek niet overbodig. Zij maakt het hoogstens mogelijk om het te voeren voordat er iets is gebeurd, in plaats van erna.
Afbeelding: CC0 (StockSnap), foto van lydia harper. Bron.